
Wet kinderopvang
Artikel 48
1
Onze Minister kan een buiten Nederland gevestigd kindercentrum of gastouderbureau met een geregistreerd kindercentrum of geregistreerd gastouderbureau gelijkstellen, door opneming ervan in een door hem bij te houden centraal register.
2
Indien een ouder voornemens is, gebruik te maken van een kindercentrum of gastouderopvang door tussenkomst van een gastouderbureau buiten Nederland, doet hij bij Onze Minister een aanvraag om opneming van dat centrum of bureau in het centrale register. Een kindercentrum of gastouderbureau wordt slechts in dat register opgenomen, indien aannemelijk is gemaakt dat de kwaliteit ervan naar aard en naar strekking overeenkomt met de op grond van deze wet gestelde regels.
3
Onze Minister deelt de houder en de aanvrager schriftelijk mee dat opneming van het kindercentrum onderscheidenlijk het gastouderbureau in het centrale register heeft plaatsgevonden.
4
Onze Minister maakt de opneming in en verwijdering uit het centrale register bekend in de Staatscourant.
5
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent het centrale register en de wijze waarop verbetering van onjuistheden in dat register plaatsvindt.
6
De houder doet van wijzigingen in de gegevens die ten behoeve van de opneming in het centrale register zijn verstrekt, onverwijld mededeling aan Onze Minister.
7
Onze Minister deelt de houder schriftelijk mee dat de wijzigingen in het centrale register zijn aangetekend.
8
De houder van een kindercentrum of gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid draagt er zorg voor dat de kwaliteit van het centrum of het bureau naar aard en naar strekking overeenkomt met de op grond van deze wet gestelde regels. De artikelen 45 tot en met 47 en 49 tot en met 60 en de hoofdstukken 4 en 5 zijn niet van toepassing op een kindercentrum of een gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid.
9
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent:
a
de wijze waarop aannemelijk wordt gemaakt dat een kindercentrum of gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid voldoet aan het tweede lid;
b
het toezicht op de naleving van het achtste lid;
c
het verstrekken van gegevens en inlichtingen door de ouder en de houder alsmede de wijze waarop deze gegevens en inlichtingen worden verstrekt ten behoeve van dat toezicht.
10
Indien blijkt dat de kwaliteit van het kindercentrum of gastouderbureau niet langer naar aard en strekking overeenkomt met de op grond van deze wet gestelde regels of dat de houder niet voldoet aan enige verplichting die op grond van deze wet op hem rust wordt het kindercentrum of gastouderbureau uit het register verwijderd.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.